angst onderzoeken

Mijn angst onderzoeken met The Work van Byron Katie

Laatste nacht van onze vakantie in Italië. Onweer en een regenstorm waar je u tegen zegt. Of je tutoyeert het gewoon. Geen idee hoe het daarop zou reageren eigenlijk. Maar ik durf het ook niet uit te proberen.

Op een onbekende plek in een onbekend bed. Niet echt de ideale plek om geconfronteerd te worden met een licht jeugdtrauma.

Geen stoer verhaal

Before we start: ik besef dat mijn angst irreëel is. Ik had hem ook niet gehad als hij reëel was. Ik heb geen stoer verhaal over een rampzalige blikseminslag. Ik was gewoon een bang kind. En als het onweert verander ik weer in dan kleine meisje dat vastgehouden wil worden en ineenkrimpt bij elke flits alsof dat me gaat behoeden voor de donder. En ohja, ik weet dat de flits gevaarlijker is dan de donder. Ook dat helpt niet.

Tijd om te onderzoeken

Dus ik lag daar op een matras waar mijn rug niet echt over naar huis ging schrijven en schrok wakker. Kroop tegen mijn vriend aan. En bedacht me toen ik kramp in mijn been kreeg van de spierspanning dat ik the work er maar eens bij moest pakken. So I did.

Alleen had ik in alle angst en vermoeidheid geen idee welke overtuiging ik dan precies moest gaan onderzoeken.. Mijn hoofd wist wel nog te bedenken dat er een stuk in het boek van Byron Katie stond over kinderen die bang waren voor monsters onder het bed. Ik voelde me aangesproken.

Overtuiging 1

Onweer is angstaanjagend. True? Nope. Ik lig hier naast het levende bewijs dat dit niet het geval is. Wie of wat ben ik met de gedachte? Uhm, bang. En zonder? Waarschijnlijk kalmer. Omkeringen: ‘Onweer is niet angstaanjagend.’ Oké, I guess. ‘Mijn gedachten zijn angstaanjagend.’ No doubt about it.

Overtuiging 2

Ik ben bang voor onweer. True en 100% zeker? Hmm.. Ik heb net wel door de straten van Pisa gesnelwandeld (ook nog eens langs het water) in de stromende regen, plus wind, plus onweer. Ik werd er niet blij van. Of rustig. Maar een persoon zou het idee kunnen hebben dat ik niet (heel) bang ben. Wie of wat ben ik met de gedachte? Bang. Een klein kind. En zonder? Minder bang lijkt me, want er is niets dat me verteld dat het zo is. Dus bij elke donder en bliksem (onlogische volgorde trouwens, beste Nederlandse taal) kan ik opnieuw beslissen of ik nou eigenlijk bang ben of niet.

Bang voor mijn gedachten

De omkering. ‘Ik ben niet bang voor onweer.’ Dat klinkt een beetje als een eng soort mantra in de hoop dat de angst verdwijnt als ik het maar vaak genoeg en overtuigend genoeg zeg. ‘Ik ben bang voor mijn gedachten.’ Altijd. ‘De onweer is bang voor mij?’ Mijn gedachten? De hele wereld zou bang moeten zijn voor mijn gedachten.

Hopelijk heb ik ze nu gehad. Of het heeft geholpen? Het was in elk geval een goede afleiding.

Geen geweldige diepgaande conclusie deze keer. Geen wijsheden of overwinningen. Gewoon een verhaaltje over hoe mijn gedachten enger zijn dan het onweer in Pisa.

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *