regels voor interpunctie

Taalpolitie: Nooit meer twijfelen over interpunctie

Eerder verschenen op schrijvenonline.org

De komma

De komma, naast de punt het bekendste en meest gebruikte leesteken. Wanneer moet je een komma gebruiken en waar?

1.    Bij een opsomming van zelfstandig naamwoorden: ‘Ik heb mijn boek, pen, papier en lippenstift in de aanslag.’
2.    Bij een opsomming van gelijkwaardige bijvoeglijk naamwoorden: ‘Wat is hij toch een aantrekkelijke, lieve, charmante en slimme man. En nog grappig ook!’
3.    Voor of na een tussenwerpsel. Tussenwerpsels staan los van de zin en kunnen als zelfstandige uitroep gebruikt worden: ‘Nou, dat dacht ik dus niet. Je bent niet welkom, helaas.’
4.    Tussen persoonsvormen in een langere zin: ‘Mensen die achter een computer werken, krijgen sneller de hik.’
5.    Voor voegwoorden: ‘Ik zou wel willen komen, maar ik kan niet. Eerlijk waar.’
6.    Voor en na een bijzin: ‘Dat zij het weer heeft verpest, verbaast me niets.’
7.    Voor en na een bijstelling: ‘Mijn vorige baas, die ene met de bierbuik en brullende lach, zit tegenwoordig op ballet.’
8.    Voor en/of na een aanspreking: ‘Schatje, vergeet je de vuilnis niet?’

Het streepje

Jawel, het streepje. Welk streepje? We bespreken ze hieronder allemaal.

Allereerst het lange streepje, het gedachtestreepje, heeft drie toepassingen:
1.    Een nieuwe gedachte binnen de zin markeren: ‘Toen ik naar huis liep – ik had een lekke band – begon het keihard te hagelen.’
2.    Een deel van de zin extra benadrukken: ‘In mijn trouwjurk – waar ik niet zelf voor had gekozen – zag ik die vier kilo van alle stress net iets te duidelijk zitten.’
3.    Het inlassen van een ‘terzijde’: ‘Die twee zijn – nu zes maanden samen – al gaan samenwonen en hebben een hond. Misschien moeten wij – na vier jaar – ook maar eens?’

Het korte streepje heeft weer hele andere functies.
1.    Als afbreekteken. Deze toepassing spreekt voor zich. Je bladzijde houdt op, maar je woord nog niet. Dus je breekt hem af tussen twee lettergrepen en om het verband te verduidelijken zet je een streepje.
2.    Als koppelteken: ‘Het is allemaal lang niet altijd zo zwart-wit in de hink-stap-sprongwedstrijden.’
3.    Als weglatingsteken in samentrekkingen: ‘Ik kan alleen dinsdag- of vrijdagavond repeteren voor ons toneelstuk De huilende kikker.’

Volgende week vind je hier nog meer regels voor interpunctie. Dan richten we ons op het trema, de accenten en de puntkomma. Tot dan!

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *